Waar ik maanden geleden al bevreesd voor was is gebeurd: ik zit weer helemaal in de maalstroom van het volle Westerse leven. Mijn standaard antwoord op de vraag “Hoe is het met je?” luidt op mijn best: “Goed, maar druk.”, op andere momenten: “Gaat wel.”
Ik kom vooral veel tijd tekort, thuis en op mijn werk. Ik kom niet aan dingen toe of maak ze niet af. Het werk wordt een zware ploegakker vol ‘trial and error’, thuis verzin ik trucs om enig gevoel van controle te bewaren. De tijd neemt een loopje met me.
Ik leef ook wel volgens een strak regime (voor mijn gevoel dan toch). Op maandag naar fitness, op dinsdag naar bodybalance, woensdag boodschappendag, op donderdag naar koor en op vrijdag naar yoga en meditatie. Zaterdag en zondag zijn zoveel mogelijk gericht op ontspanning en licht huishoudelijk werk.
Het feit dat ik me bewust ben van mijn gejakker en daar oplossingen voor probeer te zoeken is wel een verandering. Ik haal veel energie uit mijn lichamelijke oefening en meditatie, vooral uit bodybalance en yoga. Maar een oplossing voor mijn eeuwige tijdgebrek is het niet, de stofvlokken in mijn huis worden er niet minder door.
Gelukkig lees ik Shirley MacLaine (Op glad ijs) die als een vrolijke vlinder de wereld bereist en haar spirituele ontdekkingstocht blootlegt. Een surrogaat voor wat ik zelf zou willen doen?




Bali vlindert als iets uit mijn vorige leven naar boven als ik het boek Offerings: the ritual art of Bali open. Een eiland dat – veel meer dan hier – lijkt te drijven op liefde en harmonie. Traditie en religie drijft mensen tot hoge kunstzinnigheid en lijken van het leven op bepaalde dagen één groot en gezamenlijk feest te maken.
De tekst probeert de achtergronden van de diverse soorten offers toe te lichten, maar wordt cryptisch als Engels wordt doorspekt met een teveel aan lokale termen:
“The charming jaja Ardanareswari is a manifestation of this concept, as are the so-called ublag-ablig (or ubag-abig) figures. These interesting jejaitan (…) are used in rice rituals in which the concept of fertility plays an important role.”
De fotografie is echter prachtig en maakt duidelijk dat de overvolle, gestapelde beeldelementen uit Togog’s Tales from a charmed life niet altijd op fantasie berusten.
Ze zijn weer voorbij: de feestdagen in december. Naarmate ik ouder word begrijp ik steeds beter wat mensen er in tegenstaat of beangstigt. De eenvoud van vroeger lijkt ver en onbereikbaar. Het moéten regeert: je moet bijkomen van je werk, leuke dingen doen, het huis gezellig maken, samenzijn met je familie, lekker tafelen, de balans opmaken, feestvieren, vooruitkijken en elkaar het beste wensen. Er zit niets in dit rijtje dat wezenlijk fout is, behalve dat het moét.
Mevrouw Verdonk heeft zich laten inspireren door het gedachtengoed van Pim Fortuyn. Ze raakt daarmee een gevoelige snaar, zelfs bij mij. Want: kúnnen we trots zijn op Nederland? Hebben we zoiets als een nationale identiteit? Weten we nog wat ons mensen aan elkaar bindt in Nederland?
Nu heb ik sinds kort ook niet zoveel meer met tevredenheid. Ik dacht altijd dat je dat moest zijn in het leven als je kijkt naar wat je hebt. Er zijn zoveel mensen die het minder treffen, ziek zijn of niets te eten hebben. In dat opzicht is tevredenheid een rationele constatering en misschien wel een vorm van zelfbescherming. Want achter je tevredenheid schuilt de wens naar meer. En het valt niet mee om die wens onderdrukt te houden in een dagelijkse omgeving die bol staat van reclame, vol van (materiële) dromen. Tevredenheid is als een volle buik nadat je lekker gegeten hebt.