Dit weekend voltooide ik de lezing van een boek over een schilder uit de Batuan-stijlgroep op Bali. De antropologe Hildred Geertz schreef aan de hand van interviews met Ida Bagus Madé Togog een diepgravend boek over zijn jeugd, familieleven, zijn rituele praktijken en zijn schilderkunst. Een gemiddelde monografie over een kunstenaar focust vrij snel op de werken waarmee de persoon zich een plaats heeft verworven in de kunstgeschiedenis. Hildred Geertz beschrijft al die andere facetten van zijn leven en cultuur die er onlosmakelijk mee verbonden zijn en behandelt het kunstenaarschap van Togog pas in het zesde en laatste hoofdstuk.
Behalve dat dit dus geen typerende kunstmonografie is, is het ook geen historische verhandeling over Bali in de woelige jaren van de 20e eeuw, zoals ik elders op internet las. De actualiteit (het kolonialisme, de Japanse bezetting en de verzelfstandiging van Indonesië) speelt slechts een figurantenrol in de beleving van Togog, die toch vooral op zijn innerlijke (spirituele) ontwikkeling gericht is. Zo is het contact met de kunstenaars Walter Spies en Rudolf Bonnet een belangrijke aanzet voor zijn kunstzinnige ontwikkeling, maar wordt bijna terloops vermeld hoe slecht het met deze heren afloopt in de Tweede Wereldoorlog.
Hildred Geertz heeft zich nauwkeurig gehouden aan de letterlijke interviewteksten met Togog, waarbij ze o.a. voor het probleem stond hoe te vertalen van het Balinees met zijn meerdere registers (in het taalgebruik wordt de hiërarchische verhouding uitgedrukt) naar het eendimensionale Engels. Door al haar zorg zijn de verhalen van Togog levendig gebleven en zit je bijna in het hoofd van een Balinese (levens)kunstenaar en een Brahmaan (“Ida Bagus”). Daardoor leer je veel over de eenvoud van het dagelijks leven en de complexiteit van de religie en haar rituelen.
Het boek bevat een aantal mooie allegorieën over arm en rijk, maar ik wil die over vriendschap niet voor mezelf bewaren. Togog krijgt les van een Brahmaanse priester:
Het eerste vorm van vriendschap is gebaseerd op het geven van eten: “Kom en bezoek me en ik geef je wat te eten!”. En de vriend zal terugkomen om weer eten te krijgen. Dat is de laagste (nista) soort vriendschap. De tweede vorm van vriendschap is de vorm die gebaseerd is op geld: “Heb je wat geld voor mij?” “Ja, hier is wat!” En dan in de toekomst zal de andere persoon je wat geld geven. Dat is de middelste soort vriendschap (madya). Maar de beste (utama) vorm van vriendschap is die die gebaseerd is op leren. Dat is wat er gezegd wordt in onze religie (agama). Leren verdwijnt niet, zoals eten. Morgen is je eten weg, maar het gesprek blijft.
2 Reacties tot “Vertellingen over een betoverd leven”